Pabbaja Sutta
het huiselijke leven verlaten en als religieus, of asceet, voortgaan

Vertaler Pali: Thanissaro Bhikku
Vertaler Engels: Bhiksuni Rátana
Bron: http://www.buddha-dharma.eu/pabbaja.html



"Ik zal het Voortgaan beschrijven,
Hoe hij, hij die Visie heeft, Voortging,
Hoe hij de rede aanwendde en koos voor het Voortgaan. -
'In het huiselijke leven zit je beklemd,
als in een stofnest,
terwijl Voortgaan
als (ademhalen) in de open lucht is.'
Dit ziend ging hij Voort.

Voortgaand
hield hij zich ver van verkeerde handelingen (met het lichaam).
Verbaal wangedrag achterlatend
Zuiverde hij zijn levensonderhoud.
Toen ging hij, de Boeddha, naar (de stad) Rádja-gahá,
De burcht in de bergen, die van de Magadhezen;
daar ging hij op aalmoezenronde,
voorzien van de meest buitengewone kenmerken.(1)
Koning Bimbisáára, staand in zijn paleis, zag hem,
en hem ziend, zo voorzien van alle buitengewone kenmerken,
zei:
'Heren, kijk naar hem.
Hoe mooi, hoe statig, hoe zuiver!
Hoe perfect is zijn gedrag!
Vol aandacht gaat hij daar, zijn ogen neergeslagen,
niet verder voor zich kijkend dan de lengte van een ploegschaar,
als iemand die niet van nederige afkomst is:
Zend onmiddellijk koninklijke boodschappers
om te zien waar deze thuisloze gaan zal.'
Die uitgezonden boodschappers
volgden hem waar hij ging.
'Waar gaat deze thuisloze heen?
waar zal hij zich vestigen?
Zoals hij van deur tot deur ging,
beheerst, zijn zintuigdeuren goed bewaakt,
aandachtig, alert,
raakte zijn aalmoezenkom al snel gevuld.
Toen verliet hij, de Wijze, na zijn aalmoezenronde,
de stad en ging in de richting van berg Pándava.
'Dat is waar hij zich zal vestigen.'
Hem zo naar zijn rustplaats zien gaan
zetten de drie boodschappers zich neer,
terwijl een andere terug ging naar de koning, en vertelde.
'Heer, die thuisloze
zit daar op de helling van de Pándava,
(nobel) als een tijger, een stier,
een leeuw(2) in zijn rustplaats onder de rotsen.'
De woorden van deze boodschapper horend
ging de nobele krijgerkoning
onmiddellijk in zijn strijdwagen
naar berg Pándava.
Waar de wagen niet meer verder kon
stapte hij uit en ging te voet verder,
en eenmaal aangekomen zette hij zich neer.
Daar zo zittend
wisselde hij beleefde groeten uit
en zei toen:
'U bent jong, zeer jong,
in het eerste stadium van uw jeugd;
u bent voorzien van het postuur en de tint
van een nobele krijger.
U zou er glorieus uitzien
in de eerste rangen van een leger,
omringd door een bataljon olifanten.
Ik bied u rijkdom aan: geniet er van.
Ik vraag u naar uw stand(3), vertel me die.'
'Daar recht voor ons Heer,
aan de voet van de Himalayas
ligt een land dat rijk voorzien is
van energie en rijkdommen,
bewoond door de Kosalanen,
uit de clan van de zon,(4)
Sakyas van geboorte.
Uit die tak ben ik Voortgegaan,
maar niet op jacht naar zintuiglijke genietingen.
In zintuiglijke genietingen het gevaar ziend -
met opgeven van het huiselijke leven als mijn rustplaats -
streef ik voort.
Dat is het leven naar mijn hart'."

Enkele opmerkingen

In de hierbovenstaande tekst komen we koning Bimbisáára van de staat Mágadha tegen. Hij zou de rest van zijn leven een supporter van Boeddha blijven. Uit dit geschrift moeten we begrijpen dat de koning geen erfopvolger had, en prins Siddhartha, nu de rondzwervend religieus Gáútama genaamd, die plaats aanbood.

(1) Een Groot mens, een Boeddha of een Wereldheerser, wordt zowel in de Hinduďstische als de Boeddhistische Geschriften aangewezen als iemand met 32 voortreffelijke lichamelijke hoofdkenmerken en 84 even voortreffelijke lichamelijke secundaire kenmerken.

(2) De vermelding van de leeuw (siha in het Sanskriet en Pali) komt veelvuldig voor in de Boeddhistische geschriften, onderandere wanneer Boeddha's ex-echtgenote Yashodara (Jasjóódara) haar zoon Rááhoela zijn vader aanwijst, en zegt: kijk, daar is de leeuw onder de mensen.
De vermelding van dit dier is problematisch omdat ook in de oudheid de leeuw - zoals wij die kennen - niet oostelijker voorkwam dan Iran-Irak. Het is waarschijnlijk dat in deze geschriften wordt verwezen naar de sneeuwleeuw, het dier dat voorkomt in de hoger gelegen delen van de Himalaya, en dat afgebeeld wordt op de gebedsvlaggen van het Himalaya-Boeddhisme. Want uiteindelijk waren de foothills van de Himalaya Boeddha's werkelijk thuisplaats, en het woonoord van Yashodara en haar familie.
Met die uitspraak toonde Yashodara haar diep psychologisch inzicht: zij visualiseerde Boeddha als het meest waardige, capabele, autonome dier uit die streken, dat overigens nooit een kuddedier is geweest.
Die observatie vinden we bewezen in die passages waarin Boeddha zijn eerste zes monniken, gelijk na hun Ontwaken, uitzendt om anderen de Dharma te onderwijzen. Die trend zien we door heel zijn leven op aarde terugkeren: telkens stapte hij omringd door honderden monniken over de stoffige paden en wegen van Inda, en telkens splitste hij die groep weer op en vroeg zijn talentvolle discipelen om vooral af te reizen naar meer afgelegen oorden - en telkens groeide die nucleaire kern weer aan tot proporties waar niet zelden over geklaagd werd.

(3) De tint en de stand in dit vers verwijst naar de kaste of klasse waaruit iemand voortkwam.

(4) De Clan van de Zon wordt binnen de Vedisch-Hinduďstische traditie geassocieerd met koning Ikshvaku. Of de Zonneclan ooit werkelijk bestaan heeft, of aleen een literair leven heeft in onderandere de Ramayana kan niet met zekerheid gezegd worden.




De vlucht
Dit ging er aan vooraf:
Toen prins Siddharta, Boeddha, voorgoed zijn paleis verliet om het leven van een asceet aan te vangen, reed hij op zijn witte paard Kánthaka tijdens een zekere nacht de paleispoort onderdoor, vergezeld van zijn wagenmenner Chanda (dzjánda). Na lange uren draven kwamen ze aan de overkant van de rivier aan waar Siddhartha zijn kleren inruilde voor een eenvoudiger tenue, en waar hij met Chanda's zwaard zijn lange haar afsneed, dat nooit meer zou aangroeien, zo zegt de canon.
In tegenstelling tot de Hindu-sadhu wordt de Boeddhistische monnik en non sindsdien standaard uitgerust met een scheermes.
Nadat Chanda en Kánthaka met het bundeltje kleren naar het paleis terug waren gekeerd overleed Kánthaka al spoedig van verdriet, aldus de legende.



Voor gebruik van deze tekst kijk op Copyright