Lankavatara Sutra

De Afdaling op de Lanka Hoofdstuk 1

Vertaalster: Bhiksuni Ratana
Bron: http://www.buddha-dharma.eu/lanka1.html



(I) Om! Eer aan de Drie Juwelen! Eer aan alle Boeddhas en Bodhisattvas!
Hier volgt een zorgvuldige weergave van de Soetra over de Afdaling op Lanka waarin de Heer van de Dharma spreekt over de substantieloosheid van alle dingen.

Aldus heb ik het gehoord. Eens verbleef de Gezegende in het Kasteel van Lanka dat gezocht moet worden op de top van de berg Malaya, nabij de grote oceaan. Die bergtop was versierd met bloemen gemaakt uit diverse edelstenen. Op dat moment was Boeddha omringd door een groot gezelschap monniken en een menigte Bodhisattvas die vanuit vele Boeddhalanden waren samengestroomd. Deze Bodhisattva-Mahāsattvas, met Mahāmati aan het hoofd, hadden allen perfectie bereikt in de verschillende Samādhis, in de [tienvoudige] beheersing van het zelf, in de [tien Boeddha- en Bodhisattva-]krachten en de zes bovennatuurlijke vermogens, en alle Boeddhas hadden hen de handen opgelegd. Zij hadden een goed begrip van de betekenis van zowel de wereld-van-objecten als van de manifestatie van hun eigen bewustzijn. [2] Ze wisten hoe je verschillende leer- gestalten, leringen en disciplines overeind moet houden, aangepast aan de verschillende mentaliteiten en gedragingen van wezens. Ze waren grondig getraind in de vijf Dharmas, de [drie] Svabhāvas, de [acht] Vijñānas en het tweevoudige niet-zelf.

Toen, na zeven dagen te hebben gepredikt in het paleis van de koning der zeedraken, kwam de Gezegende uit dit paleis tevoorschijn en werd begroet door een grote menigte Nagakanyas, waaronder zich ook Sakra en Brahma bevonden. Naar Lanka op de berg Malaya kijkend glimlachte hij en zei: "Ik zeg dit met met kennis over de Tathāgatas uit het verleden; hen heb ik in gedachten, Tathāgatas die Arhat waren, en Volmaakt Verlicht: ook zij spraken deze Waarheid, in ditzelfde kasteel van Lanka op de top van de berg Malaya. Ook zij spraken over dat Weten dat gerealiseerd kan worden dankzij de nobele wijsheid die je diep binnen in je draagt, die wijsheid die voorbij het redeneren van geleerden gaat, en zelfs voorbij het bewustzijn van Toehoorders en Zelf-Verlichtten. Ook ik zal nu, speciaal ten behoeve van Rāvana, Heer der Heren over de Yakshas, spreken over dit Weten.

Geinspireerd door het supernatuurlijke vermogen van de Tathāgata hoorde Rāvana, Heer over de Rákshasas, zijn stem. En inderdaad, de Gezegende, omstuwd door ontelbare Nagakanyas, en vergezeld van Sakra en Brahma, kwam nu uit het paleis van de koning der Zeedraken. De golven van de oceaan aanschouwend en de geestestoestand ziend van de menigte om hem heen, dacht hij aan die oceaan die het Opslagbewustzijn vormt, waarin de immer in beweging zijnde Vijñānas (bewustzijnen), als waren het golven, voortdurend aan de gang worden gehouden door (,als het ware,) de constante winden die in het (omvattende) bewustzijn worden aangewakkerd door het ervaren van de wereld-van-objecten. Terwijl hij daar zo stond zag Rāvana hem en gaf een schreeuw van vreugde. Hij zei, "Ik ga er heen; ik zal de Boeddha vragen om Lanka te betreden, want deze lange, komende nacht zou hij, als hij kwam, waarschijnlijk zowel goden als mensen profijt brengen, goed doen, blij maken."

Toen kwam Rāvana, Heer over de Rakshasas naar de plaats waar de Gezegende was, rijdend in zijn bloemenwagen, vergezeld van zijn personeel. Daar aangekomen stapten Rāvana en zijn manschappen uit. En terwijl ze drie keer om de Gezegende heen liepen, de rechterschouder naar hem toegekeerd, bespeelden ze een muziekinstrument; ze sloegen er op met een drumstick van blauwe Indra (safier). En spelend op een luit die ingelegd was met de beste kwaliteit lapis lazuli, een luit die ze naar een kant over de schouder droegen aan een onbetaalbaar duur lint, geel-wit als Priangu, zongen ze. Hun stemmen harmonieerden fraai met de klank van de fluit en de cadans van de volgende gātha.

1. "Dit Weten, die rijke schat die als principe de zelf-aard van het bewustzijn heeft, is zonder zelf (nairatmyam). Dit staat boven alle redeneren, en is smetteloos rein. Het wijst naar de kennis die je in je diepste wezen hebt gerealiseerd. Heer, wijs me de weg naar dit Weten.

2. "De Welgegane is het lichaam waarin smetteloze waardigheden zijn opgeslagen. In hem zien we zowel het getransformeerde als het transformeren. Hij mag zich verheugen in dat Weten dat hij diep binnenin zichzelf heeft gerealiseerd. Mocht hij Lanka toch bezoeken! Muni, Wijze, nu is de tijd!

3. "In het verleden was Lanka de verblijfplaats van de Boeddhas. Ze waren omringd door hun [Dharma-]zonen in velerlei gedaanten. Heer, toon me nu de hoogste Waarheid; al die verschillende Yakshas zullen luisteren."

Daarna ging Rāvana over op het Tótaka-ritme dat zich goed leent voor de volgende gātha.

4. "Na zeven nachten staat de Gezegende die de oceaan, verblijfplaats van de Mākara, het paleis van de zeekoning, verliet, nu op de kust.

5. "Nu, op het moment dat Boeddha verrijst gaat Rāvana, vergezeld van vele Apsaras en Yakshas, vergezeld van Suka, Sárana en geleerden

6. "als door een wonder naar de plaats waar de Heer nu staat. Uit de bloemenwagen komend groet hij eerbiedig de Tathāgata, overhandigt geschenken, zegt zijn naam, en staat terzijde.

7. "Ik, die hier gekomen ben, wordt Rāvana genoemd, de tienhoofdige koning van de Rakshashas. Vergun mij de eer mij en Lanka met al zijn inwoners te ontvangen.

8. "Dit is wat ik zeg, in deze stad werd door Verlichtten uit het verleden, Verlichtten die de diepste staat van bewustzijn realiseerden, het Weten onthuld, hier op deze bergtop die versierd is met kostbare juwelen.

9. "Laat dan nu ook deze Gezegende, deze Overwinnaar, omringd door zijn [Dharma]zonen, de smetteloze Waarheid onthullen, hier, op deze bergtop versierd met kostbare edelstenen. Wij en de inwoners van Lanka zouden het graag horen.

10. "De Soetra over de Afdaling op Lanka, geprezen door Boeddhas uit het verleden, onthult hun diepste staat van bewustzijn, een staat die zij realiseerden en die in geen enkel ander religieus-filosofisch systeem te vinden is.

11. "Ik herinner me hoe Boeddhas, Overwinnaars uit het verleden, omringd door hun [Dharma]zonen deze Soetra reciteerden. Nu zal ook de Gezegende spreken.

12. "In tijden die nog komen gaan zullen er Boeddhas en Boeddha-zonen zijn die in hun medelijden met de Yakshas over deze magnifieke leer zullen spreken, hier op de bergtop versierd met edelstenen.

13. "Deze schitterende stad Lanka is getooid met een keur aan edelstenen, is omgeven door bergtoppen, is fris, koel en mooi, en er boven hangt een net van edelstenen.

14. "Gezegende, hier wonen Yakshas die vrij zijn van negatieve eigenschappen zoals hebzucht. Ze overdenken het Weten dat in je diepste innerlijk gerealiseerd kan worden, en offeren aan de Boeddhas uit het verleden. Ze geloven in het Grote Voertuig en zijn bereid elkaar correct gedrag te tonen.

15. "Er zijn jongeren onder de Yakshas, jongens en meisjes, die het Grote Voertuig willen kennen. Gezegende, kom, wees onze leraar, kom naar Lanka op de berg Malaya.

16. "De Rakshashas die in de stad verblijven en die Kumbhaharna als hoofdman erkennen zijn het Grote Voertuig toegedaan; ze wensen over die innerlijke realisering te horen.

17. "Ze hebben vol ijver offerandes gebracht aan de Boeddhas uit het verleden, en vandaag gaan ze dat weer doen. In de naam van het mededogen, kom naar Lanka, en breng uw [Dharma-]zonen mee.

18. "Mahāmati, ik geef u mijn woning. De Apsāras zullen u gezelschap houden; ik geef u een varieteit aan halskettingen, en ik geef u de heerlijke Asoka-tuin cadeau.

19. "Ik zelf zal de Boeddha en zijn zonen bedienen. Niets van wat ik heb zal ik achterhouden als het hen geschonken kan worden. Grote Wijze, heb medelijden met mij!

20. Toen hij Rāvana zo hoorde spreken zei de Heer over de Drievoudige Wereld: "Koning der Yakshas, de Leiders uit het verleden bezochten deze berg van edelstenen.

21. "Uit compassie droegen ze aangaande dat Weten dat zich toonde in hun diepste bewustzijn, hun inzicht aan u over. En ook de Boeddhas van de toekomst zullen, hier op deze zelfde juwelenberg, hetzelfde verklaren.

22. "Dit diepste Weten is dat wat de yogins zien; het is tezelfdertijd hun verblijfplaats. Yaksha-koning, u hebt dezelfde compassie als de [andere] Súgatas en ikzelf."

23. Door stil en onbewogen te blijven stemde De Gezegende toe, en stapte in de bloemenwagen die Rāvana hem aanbood.

24. En zo bereikten Rāvana en de anderen, wijze zonen van de Overwinnaar, al zingend en dansend de stad.

25. Aangekomen in deze heerlijke stad was Boeddha opnieuw het voorwerp van alle mogelijk eerbetoon: de Yakshas, Rāvana inbegrepen, en de Yaksha-vrouwen eerden hem.

26. De jongere Yakshas, jongens en meisjes, offerden hem een net van juwelen, en Rāvana omhing Boeddha en zijn zonen met halskettingen versierd met edelstenen.

27. De Boeddha, omringd door Boeddhazonen en wijzen aanvaardde deze offerandes; hij sprak over het Weten, over die staat van geest die diep binnenin je gerealiseerd wordt.

28. Rāvana eerde deze beste van alle sprekers. Hijzelf en het gezelschap Yakshas eerden (bodhisattva) Mahāmati, en de anderen verzochten hem meer dan eens de Boeddha te vragen een en ander te herhalen: [Rāvana zei:]

29. "U (Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati,) bent degeen die de Boeddhas uit het verleden consulteert over die staat van bewustzijn die zij in zichzelf realiseerden, een onderwerp waarover wij, Yakshas zowel als de Boeddhazonen willen horen. Ik, uit naam van de Yakshas, de Boeddhazonen en de wijzen, verzoek u te spreken.

30. "U bent de beste van alle sprekers en de yogin die de grootste inspanning levert. Vol vertrouwen stel ik nu mijn vraag: Vraagt u, Kundige, toch de Boeddhas [uit heden en verleden] omtrent deze leer.

31. "De Kennis die in het diepste bewustzijn wordt gerealiseerd heeft niet de fouten die geleerden, Zelf-Verlichtten en Toehoorders maken. Dat Weten is volkomen rein en leidt uiteindelijk tot de staat van Boeddhaschap."

32. Daarop creeerde de Gezegende juwelenbergen en andere voorwerpen die schitterend waren versierd met edelstenen - een immens aantal.

33. Op de top van iedere berg toonde Boeddha zowel zijn gedaante als die van Rāvana en de Yakshas.

34. Zo was de hele vergadering op iedere bergtop zichtbaar, en alle [Boeddha]landen waren daar, en in ieder sprak een Leider.

35. Ook hier waren de Koning der Rakshasas en de bewoners van Lanka, en de Lankas die de Boeddha zo manifesteerde konden zich meten met elkaar en met de echte.

36. Daar waren nog meer dingen: daar was het Asoka-park met zijn glanzend gebladerte, en op iedere bergtop ging Mahāmati te rade bij de [menigte vroegere en huidige] Boeddhas

37. die de Leer verklaarden voor de Yakshas, die Leer die leidt tot de diepste realisering. Op iedere bergtop sprak Boeddha een gehele soetra. Hij sprak met een prachtige, welluidende stem, met honderdduizend verschillende stembuigingen.

38. Hierna losten de Leraar en zijn [Dharma-]zonen op in lucht, en lieten Rāvana daar staan, in zijn woning.

39. Die dacht: "Wat is dit? Wat heeft dit te betekenen? Wie heeft het gehoord? Wat heb ik gezien? Wie heeft het nog meer gezien? Waar is de stad? en waar is Boeddha?

40. "Waar zijn die landen, waar zijn die als juwelen glanzende Boeddhas, die Súgatas? Heb ik gedroomd? Was het een visioen? of hebben hier de Gandharvas een luchtkasteel gebouwd?

41. "Of had ik stof in mijn ogen, of zag ik een luchtspiegeling, of was het een gedroomd kind, als dat van een onvruchtbare vrouw, of was het als rook dat van een vuurwiel afkomt? Was het dat wat ik hier zag?"

42. Toen overwoog Rāvana: "Dit is de ware aard (dharmatā) van alle dingen; ze behoren tot het rijk van de geest, en dit is iets dat onwetenden, omdat ze verward raken door iedere vorm die de geest zichzelve schept, niet kunnen vatten.

43. "Daar [in die ervaring van dharmatā] is noch degeen die ziet, nog het geziene; daar is noch spreker noch het gesprokene; daar is noch de vorm van de Boeddha noch die van zijn Dharma, noch de manier waarop ze verschijnen - het zijn niets dan voorstellingen in de geest.

44. "Zij die nu de dingen nog steeds zien als voorheen, zien Boeddha niet. Wanneer het relatieve weten (vikalpa) wordt aangewend zie je Boeddha niet. De Boeddha, die volmaakt verlicht is, wordt gezien waar de wereld geen gestalte heeft."

Op datzelfde moment was de heer van Lanka Ontwaakt, voelde hij een omwenteling in geest (paravritti), en realiseerde hij dat de wereld in en uit bewustzijn zelve is. Hij vestigde zich in het rijk waar het relatieve weten geen vat op heeft, aangespoord als hij werd door het reservoir van goede daden uit het verleden. Hij was nu schrander genoeg om alle teksten te kunnen begrijpen. Hij kon nu alle dingen naar hun ware aard zien, was niet meer afhankelijk van anderen, beschouwde de dingen met zijn eigen ontwaakte geest (buddhi), had nu dat inzicht dat in niets lijkt op discursiveren en redeneren, was nu een grote yogin in de Boeddha's Leer, en kon zichzelf in allerlei voortreffelijke gedaanten tonen. Bovendien had hij nu de kennis over de kenmerken van ieder (bodhisattva-)stadium, een kennis die hij nu vaardig kon aanwenden om diezelfde stadia te overstijgen. Hij schouwde nu met vreugde in de zelf-aard van Citta, Manas en Manovijñāna. Hij had nu een wereldbeschouwing die hem in staat stelde zichzelf te bevrijden van het drievoudig voortgaan [door de keten van bestaan: heden, verleden en toekomst]. Hij had nu voldoende kennis om ieder argument van geleerden over oorzakelijkheid te weerleggen. Hij begreep nu ten volle [het begrip] Tathāgatagarbha, het stadium van Boeddhaschap, en je diepste innerlijk. Hij was er zich van bewust dat hij nu een was met Boeddha-kennis - en toen hoorde hij plotseling een hemelse stem die zei: "Je moet het zelf te weten komen."

[Die stem vervolgde:] "Goed gedaan, goed gedaan, heer van Lanka! Ik zeg het nog eens: goed gedaan! Zoals u dat doet zo dient iedere yogin zichzelf te disciplineren. De Tathāgata en alle andere dingen dienen gezien te worden zoals u dat doet; wie het anders ziet geeft zich over aan nihilisme (c.q. vernietigingsleer). De dingen kunnen alleen maar juist gezien worden door de citta, manas en vijñāna te overstijgen - en dat is wat u deed. Men moet introspectief zijn en niet gehecht aan formuleringen, noch aan oppervlakkige beschouwingen over de dingen. Zorg ervoor dat u niet vervalt in dat wat de Toehoorders, de Zelf-Verlichtten en de geleerden zich als doel stellen; blijf niet steken in hun concepten, ervaringen, meningen en samādhis. Geef u niet over aan loos gebabbel en grappenmakerij. Hecht niet aan de opinies zoals de Vedas die aandragen. Peins ook niet over de ijdele glorie die heersers te beurt valt, en blijf niet steken in de zes dhyānas en dergelijke meer.

"Heer van Lanka, dit realiseren de grote yogins: ze weerleggen de meningen die naar voren gebracht worden door anderen [niet-boeddhisten]; ze maken gehakt van kwalijke opinies, ze houden zich ver van opinies over ego, zelf; in hun binnenste veroorzaken ze een ommekeer, en ze kunnen dat omdat ze volmaakte kennis hebben. Zo zijn Boeddha's zonen die de Grote Weg (Mahāyana) bewandelen. Om nu het stadium van de Tathāgata's zelf-realisatie te kunnen bereiken, moet u deze discipline volhouden.

"Heer van Lanka, zo voortgaand zult u verder gezuiverd worden op de weg die u al ingeslagen bent. Train uzelf goed in samādhi en samāpatti. Volg niet de staat die gerealiseerd wordt door Toehoorders, Zelf-Verlichtten en geleerden, een staat waarin zij zich verheugen en die ontspruit aan de fantasieen van allen die zich trainen naar de woorden van geleerden wier weten nog onvolmaakt is. Ze hechten aan individuele vormen van de wereld, die geschapen zijn door hun ego-gerichte denken. Ze houden er ideeën op na over "element", "kwaliteit" en "substantie". Ze hechten ferm aan opinies die er alleen maar kunnen zijn omdat er onwetendheid is. Ze raken verward door ideeën over ontstaan - terwijl ledigheid (sunyatā) toch de werkelijkheid is. Ze hechten aan onderscheid-aanleggen. Ze vervallen in die denkwijze waar onderscheid is tussen kwalificeren en het gekwalificeerde.

"Heer van Lanka, dit is het dat leidt tot diverse uitstekende resultaten van meditatief bezig zijn; dit is het dat ons bewust maakt van onze innerlijke realisering, dit is het realiseren [van het Grote Weten] van de Mahāyana, dit zal leiden tot een bestaan van hoge kwaliteit.

"Heer van Lanka, wanneer we de Mahāyana-praktijk aanvatten wordt het net van onwetendheid vernietigd, en wenden we ons af van het oneindige aantal golven die de vijñānas veroorzaken, en geven we ons niet over aan het streven en de praktijk van geleerden.

"Heer van Lanka, de praktijk van de geleerden vindt geboorte in hun ego-gerichte hechten. Hun akelige praktijken ontstaan omdat ze hechten aan dualistische opinies over de zelf-aard van vijñāna. Goed gedaan, "Heer van Lanka! denk na over de betekenis van deze dingen, net zoals u nadacht over de woorden van de Tathāgata toen hij nog zichtbaar aanwezig was, want, en dit is wat ik zeg: dit is de Tathāgata zien."

Toen dacht Rāvana: "Ik wil de Gezegende weer zien. Ik wil hem zien omdat hij alle oefeningen en technieken volmaakt beheerst, omdat hij zich afgewend heeft van de praktijken van de geleerden, omdat hij geboren is uit de realisering die hij in zijn binnenste ervoer, en omdat hij zowel het transformeren als het getransformeerde heeft overstegen. Hij is de kennis die de yogins realiseerden. Hij IS de realisering behaald door hen die zich verheugen in de perfecte vreugde van samādhi. Die vreugde verworven zij door, dankzij hun meditatie, tot een intuitief begrijpen te komen. Moge ik daarom zien hoe de Mededogende zijn wonderbaarlijke vermogens aanwendt om zich te tonen, hij in wie de brandstof voor passies en het relatieve weten is opgeraakt, hij die omringd is door Boeddhazonen, hij die in het bewustzijn en de gedachten van alle wezens is doorgedrongen, hij IS de realisering, die alles weet, die zich ver houdt van ageren (kriya) en van gestaltegeving (lákshana). En als ik hem dan zie, moge ik dat bereiken wat ik nog niet bereikt heb, moge ik behouden wat ik tot zover behaalde, moge ik in de staat verkeren waar het relatieve weten geen toegang tot heeft, moge ik de vreugde van samādhi en samāpatti smaken, en moge ik die grond betreden die de Tathāgatas betreden - moge ik in al deze dingen vorderingen maken."

De Gezegende zag dat de heer van Lanka rijp was om de staat genaamd de anutpattikadharmakshanti tot de zijne te maken. Daarom toonde hij opnieuw zijn glorieuze compassie met de tienhoofdige en verscheen opnieuw op de bergtop die versierd is met vele juwelen, en omgeven door een netwerk van edelstenen.



Voor gebruik van deze tekst kijk op Copyright